CWIS

FRUITTEELTCENTRUM
K.U.Leuven






English
Zoeken


Project

HET GEBRUIK VAN MOLECULAIRE MERKERS IN DE APPELVEREDELING : STUDIE VAN GROEIKARAKTERISTIEKEN EN GENOTYPE-IDENTIFICATIE

a) Studie van groeikarakteristieken : Probleemstelling en doelstelling

In de appelteelt kampt men met een aantal acute problemen die slechts op te lossen zijn via veredeling. De veredeling van appel heeft echter een laag rendement ten gevolge van o.a. de hoge graad van heterozygotie, een lange juveniele periode,... Bovendien is er veel ruimte nodig om de zaailingen te planten en te laten opgroeien en komt hierbij nog de grote onderhoudskost. Een verbetering van de veredelingsefficiëntie is dus van cruciaal belang bij appel. In dit opzicht spelen moleculaire merkers een bijzondere rol aangezien moleculaire merkers die gekoppeld zijn aan specifieke eigenschappen toelaten om een groot aantal planten in een vroeg stadium van hun ontwikkeling te onderzoeken. Dit maakt volledige opkweek van zaailingen overbodig om te ontdekken of een gewenste eigenschap al dan niet aanwezig is. Eén van de belangrijkste oorzaken van een laag veredelingsrendement bij appel is echter ook het feit dat er weinig kennis bestaat over de genetische controle van agronomisch belangrijke eigenschappen, zoals o.a. de boomvorm. Voor eigenschappen die de boomvorm bepalen zijn bijna nog geen moleculaire merkers voor handen. Aangezien echter nogal wat agronomisch belangrijke eigenschappen polygeen gecontroleerd worden, is het noodzakelijk om eerst genetische kaarten op te stellen om nadien moleculaire merkers voor groeikarakteristieken bij appel te identificeren. Met behulp van deze moleculaire merkers kan dan de genetische controle van groeikarakteristieken bij appel bestudeerd worden en kunnen meer efficiënte veredelingsprogramma’s opgesteld worden.

Genetische kaarten

Voor het opstellen van de genetische kaarten wordt gebruik gemaakt van een kruising tussen Braeburn (normaal boomtype) en Telamon (kolomtype). De technieken die gebruikt worden om merkers te zoeken om op de genetische kaarten te plaatsen zijn enerzijds de AFLP-techniek en anderzijds microsatellieten. Via deze technieken worden polymorfismen tussen Telamon en Braeburn gescoord in de nakomelingenpopulatie. Een voorbeeld van een deel van een AFLP-gel is gegeven in fig1. Via het karterings-programma JoinMap worden dan genetische kaarten opgesteld voor Braeburn en Telamon. Op deze genetische kaarten zulllen dan QTLs voor verschillende groeikarakteristieken geplaatst worden.

Groeikarakteristieken

De nakomelingenpopulatie van TelamonxBraeburn wordt gedurende enkele opeenvolgende jaren opgemeten voor verschillende kenmerken zoals de lengte van de hoofdscheut, het aantal vertakkingen, de lengte van de vertakkingen, het percentage vertakkingen, het aantal internodiën, de gemiddelde internodiumlengte en de groeisnelheid. Deze kenmerken zullen op de genetische kaarten geplaatst worden als QTLs en zullen dus gebruikt worden om moleculaire merkers voor deze kenmerken op te sporen.

b) Genotype-identificatie : Probleemstelling en doelstelling

In klassieke appelveredelingsprogramma’s is het belangrijk om unieke DNA profielen of fingerprints van selecties te kunnen opstellen met als doel deze selecties ontegensprekelijk te identificeren zowel in het kader van selectiebescherming als selectiebeschrijving. Ook om de onderlinge genetische verwantschappen en, in geval van twijfel, de echte kruisingsouders te bepalen, kunnen deze fingerprints gebruikt worden. Het opstellen van deze fingerprints gebeurt met behulp van microsatellieten (SSR). Tabel 1 toont het fingerprintpatroon van enkele cultivars en enkele selecties die ontstaan zijn door kruising van beide cultivars. De 'groene' allelen komen overeen met de allelen van de moedercultivar, de 'rode' allelen komen overeen met de allelen van de vadercultivar. Voor het opstellen van de fingerprints wordt telkens gebruik gemaakt van 16 verschillende microsatellieten. Via een clusteranalyse wordt dan nagegaan of de fingerprints van iedere cultivar en selectie uniek zijn zodat er kan gesproken worden van een éénduidige identificatie.

Tabel 1 : SSR -analyse van de cultivars Arlet en James Grieves en de selecties 4/3/185 en 4/2/276

SSR

Arlet

James Grieves

4/3/185

4/2/276

01a6

130

136/128

130/128

130/128

02b1

236/216

238/216

216/238

216/238

04h11

225/203

225/205

203/205

225/205

05g8

121

121

121/121

121/121

23g4

88/84

110/104

84/110

88/104

28f4

112/100

112/104

112/104

100/112

CH01H10

110/100

100

100/100

100/100

CH01E12

275/243

249

275/249

275/249

CH01B12

175

175/157

175/175

175/175

CH01E01

112/110

110/106

112/110

112/106

CH01F02

182/170

208/206

182/208

182/206

CH01H01

133/121

123/121

133/121

121/123

CH01B12

138

138/122

138/138

138/122

CH02C06

232

248/236

232/248

232/248

CH02D12

0/0

227/0

0/0

0/0

200/192

196/192

200/192

192/192


K.U.Leuven - CWIS Copyright © 2001 Katholieke Universiteit Leuven
Reacties op de inhoud: Katrien Kenis
Realisatie: Kathy Troch
Laatste wijziging: augustus 2001
URL: http://www.kuleuven.ac.be/dtp/ftc.htm