CWIS

FRUITTEELTCENTRUM
K.U.Leuven






English
Zoeken


Project

Verminderd fungicidegebruik bij appel : ontwikkeling van een duurzaam systeem voor schimmelbestrijding op basis van genetische en minimale chemische controle.

  1. Inleiding
  2.  

    In de appelteelt wordt het overgrote deel van fungiciden gebruikt ter bestrijding van schurft veroorzaakt door Venturia inaequalis (zie figuren 1 en 2 voor symptomen). Door verschillende resistentiebronnen te combineren wordt nagegaan of het resistentieniveau verhoogd kan worden en of de resistentie duurzaam is. Tenslotte beoogt het project te onderzoeken in welke mate het gebruik van schurftbestrijdingsmiddelen kan gereduceerd worden en dit op basis van het werkingsmechanisme van de beschikbare fungicidenfamilies en op basis van biologische en klimatologische omstandigheden.

    Fig 1 : Schurftaantasting op appelblad

    Fig 2 : Schurftaantasting op vrucht

  3. Meetmethode voor de bepaling van het resistentieniveau
  4. Dit deel van het onderzoek wordt uitgevoerd door het Koninklijk Opzoekingsstation van Gorsem en heeft als doel het op punt stellen van een reproduceerbare methode om het resistentieniveau van cultivars kwantitatief te bepalen. Hiervoor is een definiëring van de verschillende infectierisico’s nodig gebaseerd op inoculumdichtheid, infectie-omstandigheden en post-infectie-omstandigheden. Om het resistentieniveau te bepalen werd een classificatiesysteem met 13 klassen ingevoerd. Elke klasse (overeenkomend met een bepaalde schurftaantasting) heeft een numerische waarde die toelaat om per plant een TH-waarde te bepalen aan de hand van de drie meest geïnfecteerde blaadjes.

     

  5. Bepaling van het resistentieniveau van cultivars met een verschillende resistentiebron
  6. Op basis van hun resistentieniveau kunnen appelcultivars opgedeeld worden in drie groepen : gevoelige cultivars, resistente waarbij de resistentie gecotroleerd wordt door één gen (monogeen) of resistente cultivars waar meerdere genen betrokken zijn bij de resistentie (polygeen). Om het resistentieniveau te bepalen worden de planten kunstmatig geïnfecteerd en 48 uren bij 100% vochtigheid en 20°C gehouden. Vervolgens worden ze naar 70% vochtigheid gebracht. Evaluatie gebeurt 21 dagen na infectie. Voor elke plant wordt een TH-waarde bepaald. Planten van dezelfde cultivar kunnen erg verschillen in aantasting. Omwille van deze heterogeniteit is het erg moeilijk om kleine verschillen in resistentie te detecteren. Wel is het mogelijk om polygene, monogene en gevoelige cultivars van elkaar te onderscheiden.

     

    Fig 3 : Resultaten van infectietesten met Venturia inaequalis op verschillende cultivars op onderstam M9. Planten werden 21 dagen na infectie geëvalueerd door drie blaadjes per plant een klasse te geven en zo een TH-waarde te bepalen. Gevoelige cultivars hebben de hoogste TH-waarde (>30) (1/1/152, M sylvestris en IdxBR). Monogene cultivars hebben een TH-waarde di verschilt van nul (<10)omdat ze chlorose-symptomen hebben (Prima, M floribunda). De polygene cultivars hebben een resistentieniveau dat tussen de vorige twee in ligt.

     

  7. Verbetering van het resistentieniveau
  1. Klassieke veredeling
  2. Door het kruisen van een monogene met een polygene cultivar wordt een meer duurzame resistentie bekomen. Het resistentieniveau van de nakomelingen wordt bepaald in vergelijking met het resistentieniveau van de ouders. De beste nakomelingen worden geselecteerd voor verdere evaluatie.

     

  3. Moleculaire veredeling

Met het oog op een duurzamere resistentie worden natuurlijk resistente cultivars getransformeerd met AMP-genen. Transformaties gebeuren via Agrobacterium. De omstandigheden verschillen van cultivar tot cultivar. Voorlopig wordt Kanamycine gebruikt als selectiemerker maar door de kritiek op het gebruik van antibiotica wordt er uitgekeken naar een ander selectiesysteem.

 

  1. Verminderd gebruik van fungiciden

In een boomgaard wordt nagegaan of schurft op een cultivar met verbeterde resistentie gecontroleerd kan worden met minimale bespuitingen. Het effect van vier verschillende spuitschema’s wordt vergeleken : één preventief en drie curatieve schema’s. Wat betreft de curatieve schema’s is er één gebaseerd op biologische parameters (ascosporenuitstoot en infecteerbaar bladweefsel), één op klimatologische en één op en combinatie van beide. De resultaten op basis van observaties op blad en op vrucht in 1999 en in 2000 toonden aan dat :

  • primaire infecties aan het begin van het seizoen verhinderd moeten worden daar ze positief gecorreleerd zijn met vruchtschurft
  • curatieve spuitschema’s dezelfde resultaten geven als preventieve maar met veel minder fungicidebehandelingen. Dit betekent minder residu’s op de appel, minder milieuvervuiling en een lagere productiekost.

 

 

 


K.U.Leuven - CWIS Copyright © 2001 Katholieke Universiteit Leuven
Reacties op de inhoud: Professor Johan Keulemans
Realisatie: Kathy Troch
Laatste wijziging: augustus 2001
URL: http://www.kuleuven.ac.be/dtp/ftc.htm