![]() |
FRUITTEELTCENTRUM |
|
||
|
Project
Dit deel van het onderzoek wordt uitgevoerd door het Koninklijk Opzoekingsstation van Gorsem en heeft als doel het op punt stellen van een reproduceerbare methode om het resistentieniveau van cultivars kwantitatief te bepalen. Hiervoor is een definiëring van de verschillende infectierisico’s nodig gebaseerd op inoculumdichtheid, infectie-omstandigheden en post-infectie-omstandigheden. Om het resistentieniveau te bepalen werd een classificatiesysteem met 13 klassen ingevoerd. Elke klasse (overeenkomend met een bepaalde schurftaantasting) heeft een numerische waarde die toelaat om per plant een TH-waarde te bepalen aan de hand van de drie meest geïnfecteerde blaadjes.
Op basis van hun resistentieniveau kunnen appelcultivars opgedeeld worden in drie groepen : gevoelige cultivars, resistente waarbij de resistentie gecotroleerd wordt door één gen (monogeen) of resistente cultivars waar meerdere genen betrokken zijn bij de resistentie (polygeen). Om het resistentieniveau te bepalen worden de planten kunstmatig geïnfecteerd en 48 uren bij 100% vochtigheid en 20°C gehouden. Vervolgens worden ze naar 70% vochtigheid gebracht. Evaluatie gebeurt 21 dagen na infectie. Voor elke plant wordt een TH-waarde bepaald. Planten van dezelfde cultivar kunnen erg verschillen in aantasting. Omwille van deze heterogeniteit is het erg moeilijk om kleine verschillen in resistentie te detecteren. Wel is het mogelijk om polygene, monogene en gevoelige cultivars van elkaar te onderscheiden.
Door het kruisen van een monogene met een polygene cultivar wordt een meer duurzame resistentie bekomen. Het resistentieniveau van de nakomelingen wordt bepaald in vergelijking met het resistentieniveau van de ouders. De beste nakomelingen worden geselecteerd voor verdere evaluatie.
Met het oog op een duurzamere resistentie worden natuurlijk resistente cultivars getransformeerd met AMP-genen. Transformaties gebeuren via Agrobacterium. De omstandigheden verschillen van cultivar tot cultivar. Voorlopig wordt Kanamycine gebruikt als selectiemerker maar door de kritiek op het gebruik van antibiotica wordt er uitgekeken naar een ander selectiesysteem.
In een boomgaard wordt nagegaan of schurft op een cultivar met verbeterde resistentie gecontroleerd kan worden met minimale bespuitingen. Het effect van vier verschillende spuitschema’s wordt vergeleken : één preventief en drie curatieve schema’s. Wat betreft de curatieve schema’s is er één gebaseerd op biologische parameters (ascosporenuitstoot en infecteerbaar bladweefsel), één op klimatologische en één op en combinatie van beide. De resultaten op basis van observaties op blad en op vrucht in 1999 en in 2000 toonden aan dat :
|
|||
|
|
||||
![]() |
Copyright © 2001 Katholieke Universiteit
Leuven Reacties op de inhoud: Professor Johan Keulemans Realisatie: Kathy Troch Laatste wijziging: augustus 2001 URL: http://www.kuleuven.ac.be/dtp/ftc.htm |
|||