Gentechnologie: boeren zijn de klos


07/04/2003

Gentechnologie in de landbouw heeft niet alleen wetenschappelijk relevantie. Ze heeft ook invloed op de maatschappij. Dat is de boodschap voor minister van Volksgezondheid Jef Tavernier (Agalev). Enkele Vlaamse ngo's leren van het buitenland dat de impact van genetisch gewijzigde organismen (GGO's) zeer groot is en dat de boeren dat voelen in hun werk en in hun portemonnee.


In het parlement moest de discussie over de maatschappelijke invloed van GGO's al lang gevoerd zijn. Maar zoals zo vaak bij duurzame thema's, schuiven de liberalen het item op de lange baan. Net voor de verkiezingen zou de beslissing hun belangen bij GGO-industriëlen wel eens in het gedrang kunnen brengen. Agalev-minister Tavernier is het wachten beu en voert nu al een maatschappelijke evaluatie uit. De aanvraag van de KU Leuven voor een veldproef met transgene appels wordt dus niet alleen aan wetenschappelijke, maar ook aan maatschappelijke criteria getoetst.

Het gebruik van gentechnologie in de landbouw heeft dikwijls verstrekkende maatschappelijke gevolgen. De gentechindustrie stelt GGO's vaak voor alsof ze het pesticidengebruik zullen reduceren of de honger een stukje de wereld uit zullen helpen. Maar dat beeld is al te eenzijdig en niet correct.

We nemen het Amerikaanse voorbeeld van genetisch gewijzigde soja die bestand is tegen het herbicide Roundup. Boeren kochten deze Roundup Ready soja vooral omdat ze de bedrijfswereld geloofden, die hun een hogere opbrengst beloofde. Maar onverwachte neveneffecten zorgden ervoor dat die transgene soja meestal tien procent minder opbracht dan GGO-vrije soja.

Dat de boeren minder pesticiden nodig hadden, was ook niet altijd het geval. Ze verwachtten één keer te moeten spuiten om van onkruid verlost te zijn. Maar in werkelijkheid moesten ze dat tot zes keer toe doen.

Hun inkomen zagen de boeren dan ook niet stijgen. De hogere opbrengst bleef uit en het budget voor onkruidverdelgers daalde evenmin. Bovendien zijn genetisch gemodificeerde zaden duurder dan andere. De producent heeft er tenslotte een octrooi op. De socio-economische implicaties speken voor zich.

Deze maatschappelijke evaluatie is vooral voor een product als soja belangrijk omdat het in veel andere producten terug te vinden is. Dat geldt ook voor, bijvoorbeeld, appels en suikerbieten.

Er zijn ook algemene problemen. Zo vinden Amerikaanse boeren het moeilijk om nog GGO-vrij te produceren. Bijna alle zaden zijn besmet met GGO's, GGO-vrije variëteiten zijn moeilijk te vinden en de kans dat ze besmet raken is hoog. Die besmetting komt er op een natuurlijke manier door kruisbestuiving. Als een transgeen gewas in de buurt van een GGO-vrije soortgenoot staat, kan het vreemde gen in het GGO-vrije gewas kruisen. Ook dat risico hangt af van gewas tot gewas. In België is het risico het grootst voor koolzaad.

Een belangrijke bron van sociale problemen is het octrooirecht of intellectueel eigendomsrecht dat verbonden is met gentechnologische uitvindingen. Als een bedrijf eigendomsrecht heeft over een bepaald transgeen gewas, betekent dit dat de boer zijn zaad moet aankopen bij het bedrijf in kwestie. En nog wel elk jaar opnieuw, terwijl nu een vijfde van de Amerikaanse boeren hun zaad verzamelen om dit het jaar daarop opnieuw te gebruiken. Het octrooirecht maakt dat onmogelijk. Alweer een bruuske socio-economische ommezwaai. In veel derdewereldlanden, waar boeren bijna altijd het zaad opnieuw gebruiken, is dit probleem nog veel groter dan in de Verenigde Staten.

De situatie wordt helemaal absurd als landbouwers voor de rechtbank moeten verschijnen omdat ze betrapt worden met gewassen waarop octrooirecht rust. De gewassen hoeven niet eens door de boer zelf te zijn geplant. Door kruisbestuiving kan een groot deel van zijn veld besmet zijn zonder dat de boer zich daarvan bewust is. In de VS zijn verschillende gevallen bekend van boeren die veroordeeld werden, ook al werd niet bewezen dat ze die transgene gewassen hadden aangeplant.

Bovendien spreekt het boekdelen dat 99 procent van de transgene gewassen in handen is van vier (!) multinationale bedrijven. Producenten van chemische bestrijdingsmiddelen kopen gentechbedrijven massaal op. Ze beslissen dan ook over de criteria van de veredeling. Het meest verkochte gewijzigde gewas is dus ook het gewas dat bestand is tegen een bepaalde pesticide. Bij het spuiten wordt dan alles vernietigd behalve het geteelde gewas. De firma verdient dus twee keer: ze verkopen het zaad én de geschikte pesticiden.

En dan zijn er die durven te beweren dat een socio-economische evaluatie voor de introductie van GGO's in het leefmilieu niet nodig zou zijn. Het gebruik van GGO's in de landbouw is een maatschappelijk gegeven en moet als zodanig erkend worden. Op basis van een aantal socio-economische indicatoren moet een transgeen gewas geweigerd kunnen worden.

Geert Fremout (Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling)

Esmeralda Borgo (Bond Beter Leefmilieu)

Hilde Delberque (Voedselteams)

Toon Vrelust (Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming)

Louis Debruyn (Wervel)

An Lambrechts (Oxfam Wereldwinkels)

Chris Claes (Vredeseilanden)

Griet Verstraeten (Natuurpunt)

Liesbeth Janssens (Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze)

Copyright | De Standaard Online 2002